Oranjerode Stropharia

De paddenstoel is tijdens de zomer en de herfst te vinden op houtresten (vooral houtsnippers), in bossen, parken en plantsoenen. De hoed heeft een diameter van 2 tot 5 cm. De vorm is convex (bol), later gewelfd en afgeplat met een bult. Het hoedoppervlak is oranje tot bloedrood gekleurd. Er zijn tevens gelige of donkerrode vlekken aanwezig, vaak met witte velumresten aan de rand van de hoed. De jonge witgele, later olijfbruine lamellen zijn uitgebocht vastgehecht aan de steel. De steel is dun, tot 10 cm lang en 1 cm dik, witachtig tot geelachtig zonder ring, alleen jonge exemplaren kunnen een vergankelijke velumring hebben. Het onderste deel van de steel is vezelig en schilferig, bij oudere exemplaren wordt de steel oranjebruin. De sporenafdruk is roodbruin. De sporen zijn elliptisch en glad en meten 10–13,5 × 6–8,5 μm. Cheilocystidia zijn aanwezig op zowel de lamelrand als het lamelvlak.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Grote Sponszwam

De Grote Sponszwam in het wandelbos tegengekomen, De paddenstoelen zijn 10 tot 40 cm breed, 10 tot 15 cm hoog en 2 tot 5  kg zwaar. Ze hebben een bloemkoolachtige structuur met veel, gelobde vertakkingen. De blad- tot breed spatelvormige lobben zijn gekroesd, glad en hebben bruinwordende randen. De aparte paddenstoelen vormen samen een holte. Droog is de paddenstoel zeer bros. De korte, dikvlezige, geelbruine steel is enigszins vergroeid met het substraat en lijkt op een koolstronk. Het bleekgele, taaie, kruidige vlees heeft een nootachtige smaak en een zoete geur.

Bron Wikipedia, foto Tonnie Verheijden

 

Bruinrode heidelibel

De bruinrode heidelibel (Sympetrum striolatum) is een echte libel uit de familie van de Korenbouten (Libellulidae). Het is een libel van 42 à 44 mm die in vrijwel heel Europa voorkomt. In België en Nederland is het een algemene soort van juli tot oktober. Regelmatig vinden er invasies vanuit het zuiden plaats.

De bruinrode heidelibel heeft weinig opvallende kenmerken. De poten zijn zwart met gele strepen. De dijen van de voorste poten zijn meestal driekleurig: zwart-geel-zwart. Het zwarte streepje op het voorhoofd (tussen de ogen) stopt bij de oogranden en loopt niet of nauwelijks langs de oogranden naar beneden (de zogenaamde ‘hangsnor’ ontbreekt). Vaak is langs de oogranden wel een donker veegje aanwezig. Het mannetje heeft een lang en slank achterlijf, zonder knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Uitgekleurde mannetjes krijgen een rood achterlijf, dat meestal minder diep rood is dan bij de bloedrode (Sympetrum sanguineum) en steenrode heidelibel (Sympetrum vulgatum). In zijaanzicht zijn meestal wat zwarte vlekjes op het achterlijf aanwezig. De zijkant van het borststuk verkleurt van geel naar grijsbruin, maar twee vlakjes blijven opvallend geel. Jonge mannetjes en vrouwtjes hebben een geel achterlijf, dat later bij de vrouwtjes verkleurt tot bruin of roodbruin. Aan de zijkant van het achterlijf staan zwarte streepjes, die geen doorlopende streep vormen. De lichaamslengte van volwassen dieren ligt tussen 35 en 44 millimeter.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Bosuil

Bosuil

De bosuil (Strix aluco) is een stevig gebouwde, middelgrote uilensoort die zich meestal in dichte bossen ophoudt.

De bosuil is een typische nachtvogel die op verschillende diersoorten jaagt, voornamelijk kleine knaagdieren. Bosuilen jagen door zich van een tak te laten vallen om geruisloos hun prooi te grijpen, die ze meestal geheel doorslikken. In stedelijke gebieden bestaat het dieet ook uit kleine vogels; in droge subtropen vangen bosuilen ook ongewervelde dieren zoals insecten. Hun gezichtsvermogen en goede gehoor maken bosuilen uitstekende jagers.[2]

De bosuil is zeer territoriaal. Veel jonge bosuilen verhongeren als ze geen geschikt territorium kunnen vinden zodra de ouderlijke zorg stopt. Hoewel veel mensen denken dat deze uil een uitzonderlijk nachtzicht heeft, is zijn netvlies niet gevoeliger dan dat van een mens. De asymmetrisch geplaatste oren en het uitstekende directionele gehoor zijn de sleutel tot zijn jachtsucces. Door de karakteristieke roep worden bosuilen vaak geassocieerd met pech en dood.Bosuilen komen algemeen voor in bossen, parken en tuinen. Bosuilen jagen vrijwel alleen in de schemering en ’s nachts. Overdag houden de vogels zich schuil in de top van een boom. Toch zijn ze soms ook overdag te zien als ze geplaagd worden door kleine vogels die hen proberen te verjagen. Het voedsel is zeer gevarieerd. Deze uil eet voornamelijk muizen en andere kleine zoogdieren, maar bij afwezigheid daarvan (vooral in steden) eet de bosuil vooral vogels. Ook regenwormen, grote insecten, amfibieën, reptielen en zelfs vissen worden gegeten. De onverteerbare delen van zijn prooien worden in de vorm van braakballen uitgebraakt.

Bron Wikipedia Foto Tonnie Verheijden

Boomklever

De boomklever is een korte, dikke en actieve vogel met een krachtige puntige snavel. Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel. De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid. In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda’s worden aangeboden.

De bovenzijde en bovenkop zijn blauwgrijs. De onderzijde is isabelkleurig met roodbruine flanken. Bij het volwassen mannetje is de achterflank scherp begrensd oranjebruin en hierdoor is het al bij onvolwassen exemplaren mogelijk om het geslacht te bepalen. Verder heeft hij een brede zwarte oogstreep met lichte wangen en keel. Bij het volwassen vrouwtje is de achterflank minder scherp begrensd oranjebruin. Verder is het identiek aan het mannetje.

De boomklever klimt en daalt schoksgewijs langs de boomstam, zonder op zijn staart te steunen. De Scandinavische ondersoort heeft aan de onderzijde lichtere en zelfs geheel witte onderdelen. De vlucht van deze gedrongen dikke vogel is golvend en snel terwijl de korte staart in het midden zwart is. Buiten de broedtijd bevindt de boomklever zich wel in gezelschap van mezen.

Bron Wikipedia  Foto’s  Tonnie Verheijden

Zaagrugschildpad en een geelbuikschildpad

Geelbuikschildpad,

De afmetingen van een volwassen schildpad verschillen per sekse; de vrouwtjes worden veel groter dan de mannetjes. Vrouwtjes bereiken een schildlengte tot maximaal 27 centimeter.[4]Daarnaast hebben mannetjes een langere staart en relatief lange nagels aan de voorpoten, vooral oudere exemplaren. Het schild is bij oudere dieren vrij bol, bij jongere exemplaren nog plat en de schildplaten hebben aan de achterzijde doornachtige punten. Al deze kenmerken vervagen naarmate het dier ouder wordt. Ook hebben jongere dieren een landkaart-tekening op de schildplaten en een meer afstekende tekening op de huid. Een typisch kenmerk is de S-vormige gele streep op de zijkant van de kop.

Zaagrugschildpad,

De soorten staan ook wel bekend als de landkaartschildpadden. Deze naam slaat op de tekening van de volwassen dieren, die enigszins lijkt op een landkaart vanwege de complexe lijnentekeningen. De naam zaagrugschildpad slaat op de juvenielen van veel soorten, die een opstaande, getande kiel op het midden van het schild hebben, vaak met een afstekende zwarte kleur. Deze structuur doet enigszins denken aan de tanden van een zaag.

Bron Wikipedia foto Tonnie Verheijden

 

Boomklever

De boomklever is een korte, dikke en actieve vogel met een krachtige puntige snavel. Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel. De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid. In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda’sworden aangeboden.

De bovenzijde en bovenkop zijn blauwgrijs. De onderzijde is isabelkleurig met roodbruine flanken. Bij het volwassen mannetje is de achterflank scherp begrensd oranjebruin en hierdoor is het al bij onvolwassen exemplaren mogelijk om het geslacht te bepalen. Verder heeft hij een brede zwarte oogstreep met lichte wangen en keel. Bij het volwassen vrouwtje is de achterflank minder scherp begrensd oranjebruin. Verder is het identiek aan het mannetje.

De boomklever klimt en daalt schoksgewijs langs de boomstam, zonder op zijn staart te steunen. De Scandinavische ondersoort heeft aan de onderzijde lichtere en zelfs geheel witte onderdelen. De vlucht van deze gedrongen dikke vogel is golvend en snel terwijl de korte staart in het midden zwart is. Buiten de broedtijd bevindt de boomklever zich wel in gezelschap van mezen.

Bron Wikipedia  Foto’s  Tonnie Verheijden

 

IJsvogel

De ijsvogel had een flinke vangst voor zijn jonkies

De ijsvogel is een kleine vogel met een korte staart en pootjes, een korte nek, korte afgeronde vleugels, een grote kop met grote ogen en een lange, dolk vormige snavel. De poten zijn syndactiel: de voortenen zijn aan de basis gedeeltelijk met elkaar vergroeid.
De ijsvogel is aan de bovenzijde overwegend blauw, waarbij de veren van de kop en vleugels iriserend blauwgroen zijn, en op het midden van de rug lichter tot kobaltblauw. De staartveren zijn wat donkerder. De veren aan de borst en buikzijde zijn warm oranje, en steken hiermee duidelijk af. Van de snavel tot achter het oog is op de wang een oranje oogstreep aanwezig, die abrupt overgaat in een helder witte streep. Ook de keel is wit. De poten van een volwassen ijsvogel zijn oranje tot rood van kleur. De mannetjes zijn enkel van de vrouwtjes te onderscheiden aan de kleur van de basis van de ondersnavel, die bij het vrouwtje voor het grootste deel tot volledig oranje is. Ook kan er bij het vrouwtje in de basis van de bovensnavel oranje voorkomen. De ondersnavel van het mannetje kan tot een derde van de lengte, gezien vanaf de basis, oranje zijn. Juvenielen onderscheiden zich van volwassen exemplaren door het valere verenkleed met donkergrijs gerande borstveren, een kortere snavel met een bleke snavelpunt, en donkerbruine poten.
Roep van een ijsvogel
De ijsvogel meet van snavelpunt tot en met staart ongeveer 16 cm; de spanwijdte is 24 tot 26 cm, en het lichaamsgewicht loopt uiteen van 34 tot 55 gram. De ijsvogel heeft een snelle stofwisseling, en het gewicht varieert gedurende de dag.
De vogel is in noordelijk Europa onmiskenbaar door zijn tekening.
Het geluid is divers. Er kunnen schelle en fluitende geluiden worden geproduceerd. Het mannetje lokt het vrouwtje met een hoge, fluitende ’tieieiet’ of ’tieietuu’, die hij vaak tijdens de vlucht laat horen. Bij opwinding of agressie worden korte, herhaalde ’tri-tri-tri’ geluiden geproduceerd.

Bron Wikipedia, Foto Tonnie Verheijden

 

Wandelbos en de Oude Warande

 

 

 

Wandelbos

Het wandelbos is een circa 30 hectare groot park ontworpen door Leonard Springer in de Engelse landschapsstijl. In het Tilburgse uitbreidingsplan uit 1917 van Johan Rückert is het ingetekend als ‘Natuurpark’.  ‘Ter verhoging van de aantrekkelijkheid van de stad’ en om ‘Het publiek de gelegenheid te geven meer dan toe nu toe door wandelen van de buitenlucht te genieten’.

Na het aanleggen van de paden wordt het park in 1921 opengesteld voor publiek. Het jaar daarna wordt de tweede fase uitgevoerd. Grond verbeteren, het uitdiepen van een bestaand ven, loofhout bijplanten en verdere beplanting aanbrengen. Werkloze arbeiders voeren het werk uit in het kader van ‘werkverschaffing’ onder leiding van de Nederlandsche Heide Maatschappij. In 1926 krijgt het park officieel de naam ‘Wandelbos’.

In 1936 wordt opnieuw in het kader van ‘werkverschaffing’ de nieuwe vijver gegraven die in de winter ook als schaatsbaan gebruikt kan worden. Het ontwerp met de twee eilandjes en de groepjes van telkens drie moerascypressen met hun uitlopende wortels aan de waterkant is weer van Springer. In 2003 wordt de de parkaanleg met zijn bijzondere bomen aangewezen als gemeentelijk monument.

Bron Tilburgse Heemkunde
Bijdrage: Ton Goossens

De Oude Warande

De Oude Warande, het grootste sterrenbos van Nederland, is ruim 300 jaar oud. Het nabijgelegen en veel jongere Wandelbos, in 1935 ontworpen door tuin- en landschapsarchitect L.A. Springer, was al eerder een gemeentelijk monument. Sinds 2017 is de Oude Warande dat ook.

De geschiedenis van de Oude Warande gaat terug tot 1712. De prins Willem van Hessen-Kassel, tevens heer van Tilburg en Goirle, kreeg toestemming om een stuk “gemeynde grond” te ontginnen. Het ging om ca. 60 hectare “tot deselfs plazier en gebruik”. Het stuk grond werd dus aan de gemeenschap onttrokken en dat gaf problemen met de boerenbevolking. Mogelijk werd dit jachtgoed als sterrenbos aangelegd door J. van Leeuwen. In 1715 is deze warande voltooid.

Bij de verkoop van de heerlijkheid Tilburg en Goirle in 1754 kwam het gebied in bezit van de graven Van Hogendorp. Die besloten in 1858 het landgoed te verkopen aan notaris J.A. Daamen. Bernard J.M. Verbunt kocht het vervolgens in 1906. Verbunt liet in het midden een door Jan van der Valk ontworpen villa (zie foto) als buitenverblijf bouwen. Het oostelijk deel van het park werd in 1931 verkocht aan de gemeente Tilburg. Op deze grond werd in 1932 het Burgers Dierenpark (later Tilburgs Natuur Dierenpark genoemd) geopend. In 1952 kreeg de gemeente Tilburg het hele landgoed in bezit. Vanaf 1988 werkt de gemeente het landgoed bij het onderhoud gefaseerd terug naar het oorspronkelijke ontwerp. Dat zou in 2025 klaar moeten zijn.

Bron Tilburgse Monumenten